[ Update #1 - 2017 Debiteurenverpanding na Neo-River ]

Datum: 19 januari 2017

De positie van de pandhouder (bank) ten opzichte van de pandgever is met HR 21/2/2014; NJ 2015/82, IAE-Neo-river begin 2014 een stukje duidelijker geworden. Kort gezegd is –na openbaarmaking- de belangrijkste bevoegdheid, die van het innen van de vordering, exclusief terrein van de pandhouder, maar de overige schuldeisersbevoegdheden blijven bij de pandgever. Deze uitleg versterkte de positie van de curator ten opzichte van de bank met name rondom het verlenen van (gedeeltelijke) kwijting en het treffen van betalingsregelingen.

De verfijning op de uitspraak is na een tweetal recentere arresten inmiddels ook op gang gekomen. Het meest ‘vers’ is de uitspraak van de Hoge Raad van HR 9/12/2016; NJ 2017/2 (Megalim-De Veenbloem) waarin is bepaald dat:

  • De pandhouder/bank na openbaarmaking het faillissement van de
    debiteur mag aanvragen, en;
  • dat in het verlengde hiervan de pand gever voor het aanvragen van
    het faillissement van de debiteur de toestemming nodig heeft van de pandhouder (of de toestemming van de Rechtbank via machtiging). Hiermee behoudt de bank de nodige slagkracht om het beste incasso resultaat te behalen.

Ook is aangenomen dat de bevoegdheid tot het leggen van beslag voor de vordering bij de pandhouder ligt. HR 18/12/2015; NJ 2016/34 (Marell-ABN AMRO) wijst de (openbaar) pandhouder aan om de aan de vordering verbonden pand- en hypotheekrechten uit te winnen als die door pandgever en zijn wederpartij zijn overeengekomen. Een partij die borg staat voor de vordering kan door de pandhouder op dezelfde wijze worden aangesproken. Onzeker blijft vooralsnog of in voorkomende gevallen de pandhouder het eigendomsvoorbehoud kan effectueren. Dat lijkt niet onaannemelijk.

Al met al een correctie op de inperking van de bevoegdheden van de pandhouder. Na de ‘schrik’ van Neo-River zullen met name banken weer wat op adem kunnen komen.

Huib Wynia – Waardering & Uitwinning van debiteurenportefeuilles

logo-element